Ik heb mijn Jellyfin-installatie verhuisd van een Debian LXC op mijn Proxmox-host naar een aparte machine met Debian.
De oude setup werkte eigenlijk prima, inclusief hardware transcoding via de Intel iGPU. Toch voelde Jellyfin steeds meer als een dienst die ik liever los wilde trekken van mijn Proxmox-omgeving. Niet omdat LXC verkeerd was, maar omdat Jellyfin één van de zwaardere services in mijn homelab is. Metadata-scans, meerdere gebruikers en transcoding kunnen behoorlijk wat CPU-, GPU- en I/O-belasting geven.
Door Jellyfin op eigen hardware te zetten, krijgt mijn Proxmox-host weer wat meer ademruimte voor andere VM’s en containers. Jellyfin draait nu native op Debian, met directe toegang tot Intel Quick Sync en media via NFS vanaf de NAS.
Het mooiste aan de migratie was hoe soepel het ging. Ik heb de mediapaden gelijk gehouden en de nieuwe machine uiteindelijk hetzelfde vaste IP-adres gegeven als de oude LXC. Daardoor hoefde ik niets aan te passen in de reverse proxy en merkten clients er vrijwel niets van.
De totale downtime was ongeveer 15 minuten. Geen SSL-foutmeldingen, geen “server has changed”-waarschuwingen en geen clients die opnieuw gekoppeld moesten worden. Aan de voorkant bleef alles hetzelfde, terwijl aan de achterkant de hele Jellyfin-installatie naar nieuwe hardware was verhuisd.
Voor mij is dit precies hoe een goede homelab-migratie voelt: technisch interessant, maar voor gebruikers bijna onzichtbaar.
De technische details, inclusief Debian, NFS, rechten, Intel Quick Sync en transcoding-tests, heb ik uitgewerkt in mijn projectlog op LANgenoten.